Bemesting



Hoofdstuk 2 van de Informatiemap Biologisch Tuinieren.

COMPOST
De beste plaats voor de compost is in de schaduw, achter een schuur of schutting of tussen struiken. Als we met een hoop werken, wat het prettigste werkt, maken we de hoop 1 tot 1.50 m. breed en niet hoger dan 1.50 m.
We maken een ondiepe kuil van 1 steek diep, de uitgegraven grond gebruiken we later. Wat moet er in en waar halen we het materiaal vandaan?
Als er een manege in de buurt is, probeer daar dan paardenmest te krijgen.
Gazongras: probeer ook het maaisel van de buren te versieren. Al het snoeisel van coniferen, rozen, etc. Het snoeisel gaan we fijnhakken. Houtas kunnen we ook goed op de hoop gebruiken. Ook het keukenafval gebruiken we. Zorg dat de grond steeds begroeid is met groenbemesters, zo komen we goedkoop aan materiaal.
Kippen- en duivenmest is prima te gebruiken en natuurlijk afgevallen blad in de herfst. Theebladeren en koffiedik, hooi, wol-afval , eierdoppen (goed fijn maken). Een dag aan het strand kan een bende zeewier opleveren, niets beter dan zeewier voor onze composthoop,

Het opzetten van de hoop.
Zoals eerder genoemd, het snoeihout. Hak dit kort, op handlengte, hoe korter hoe beter. Dit tamelijk ruwe materiaal komt onderin. Het verteren van houtachtig materiaal duurt nogal lang, maar het is een prachtige luchtdoorlatende laag. Trouwens, voor al het materiaal wat we gebruiken geldt: hoe fijner hoe beter, want het oppervlak waar bacteriën kunnen inwerken wordt groter. We brengen hierdoor de hoop snel op gang. Meng alles goed door elkaar, we krijgen hierdoor een actieve, levende composthoop.
Of we nu een container, box of een composthoop opbouwen, de manier blijft dezelfde. Doen we het niet goed, dan is het resultaat meestal een slijmerige massa.

Punt 1. is dus: luchttoevoer.

Punt 2. We mengen gazongras, keukenafval, onkruid, etc. goed door elkaar.
Deze laag maken we ongeveer 20 cm dik. Op de eerste laag strooien we een activator. Hiervoor gebruiken we een laag van de oude composthoop, maar verse stalmest is natuurlijk ook prima, Misschien zelfs beter. We kunnen voor dit doel ook konijnen-, kippen-, duiven- of geitenmest gebruiken. Deze laatsten zijn ook gedroogd verkrijgbaar.
Dan is er nog bloedmeel wat we erop strooien, als het maar veel stikstof
bevat. Om nu te voorkomen dat de hoop te zuur wordt strooien we wat grond over deze laag en daarna iets kalk. Houtas is hiervoor ook uiterst geschikt.
We kunnen natuurlijk de grond ook mengen met de kalk en de houtas. Dit laagje mag dan niet dikker zijn dan 1 cm.
We brengen nu de tweede laag aan van het groenmateriaal , ook weer ca 20 cm dik, daarna weer de kalk. Heel weinig strooien, als poedersuiker op de oliebollen. Na de derde laag weer de activator zoals bij de eerste laag beschreven.
Een te droge hoop komt bij ons niet gauw voor over het algemeen regen genoeg.
In een te droge hoop duurt de vertering te lang, een flinke laag stro over
de hoop voorkomt uitdrogen. Jutezakken of een oud kleed kunnen hier goede dienst doen, zelf geef ik er de voorkeur aan pompoenen rond de hoop te planten. De grote bladeren beschermen de hoop tegen uitdrogen en ze onderdrukken het onkruid.
Dus vochtig houden maar met mate. Bij het opzetten kan wat water worden gebruikt, voor het nathouden van de hoop gebruiken we bij voorkeur regenwater.
Verder moeten we op de C-N (C= koolstof, N= stikstof) verhouding letten. De beste verhouding voor het materiaal waarmee de hoop is opgezet is: 25:1. Is de hoop verteerd, dan zitten we op een verhouding van 20:1 (C= koolstof, N= stikstof).
Regenwormen versnellen de vertering. we kunnen ze lokken door uien, prei-afval en houtzaagsel. Onze kompost kunnen we verbeteren door toevoegen van paardebloemen, brandnetels, kamille, duizendblad, valeriaan, heermoes en eikebast.
Basaltmeel houdt stikstof vast en bevat S1011 (kiezelzuur), spoorelementen (zoals mangaan, etc.).
Verwerken we gesteentemeel, o.a. basaltmeel, in onze compost, dan kunnen we op een eindproduct van superkwaliteit rekenen” Voor de milieuvriendelijke tuinier gaat compost boven alles.
Doe er zuinig mee aan, ik bedoel, spit het niet onder maar werk het met
de greep of spitvork licht onder. Het is eigenlijk neer inharken. 10 tot
12 kg per m2 is voldoende (12 kg is + een emmer vol).

STALMEST
Ik geloof dat ik niemand hoef te vertellen wat stalmest is. Maar één waarschuwing, stalmest met te weinig stro bevat te veel stikstof, want juist het stro zorgt voor een goede C-N verhouding. Stalmest zorgt voor de noodzakelijke voeding in de grond voor ons gewas.
Het verbetert ook de structuur, maar nooit in die mate als compost. Verder blijft het bodemleven actief. Het nadeel van stalmest is dat de grond sneller verzuurt (verlaging ph). Gebruik ook om deze reden nooit te verse stalmest. Verse stalmest trekt bovendien de wortel- en preivlieg aan. Het gevaar voor verbranding van onze gewassen is groot. Laat daarom mest vroeg komen en zet het op een hoop. Mest van een jaar oud heeft de voorkeur, maar het moet in ieder geval een half jaar oud zijn voor we het gaan gebruiken. Het verteren van zo’n hoop kunnen we bevorderen door deze laagsgewijs op te bouwen. Laag mest, laag grond van 10 cm dik, laag mest, etc. De lengte van zo’n hoop doet er niet zoveel toe, maar houd de breedte en hoogte op ca. 1 meter. Het omzetten van een hoop bevordert de vertering. Als we bij het aanbrengen van het zand tevens wat basaltmeel toevoegen, verhoogt het de bemestingswaarde (spoorelementen). Stalmest het liefst in de winter onderwerken, niet dieper dan 10 à 15 cm (bodemleven).

BODEMELEMENTEN

Element

Werking

Gebreksverschijnselen

Overmaatverschijnselen

Zit in

Belangrijk voor

Stikstof (N) Begunstigd de plantengroei Slechte groei, kleine geelgroene bladeren; onderste bladeren sterven af; bladverkleuring bij Tomaten, Ramenas, Koolraap Gevoeligheid voor ziekten en insecten, sterke groei, zeer onregelmatige verminderde bloei en vruchtzetting, verbrandingen Vlinderbloemigenteelt

Bloedmeel

Veren-hoornmeel

Roet

(chili-salpeter)

Mest (vooral kippe,- en duivemest

Alle bladgewassen
Fosfor (P) Onontbeerlijk voor stofwisselingsproces; zonder P geen eiwit, geen bloei, geen vrucht; grote behoefte bij alle planten Violet tot roodbruine verkleuring der bladeren, slechte wortelontwikkeling, slechte opbrengst Geremde opname van ijzer, zink en koper en daardoor chloroseverschijnselen Ruwfosfaat

Thomasslakkenmeel (tevens kalk)

Beendermeel (tevens kalk)

Alle planten
Kali(-um) (K) Nodig voor de koolzuurassimilatie en de vorming van koolhydraten; grote behoefte bij alle planten Slechte groei, bruin worden en afsterven van de bladranden, plotseling afsterven van de plant Geremde groei Houtas

Gedroogd zeewier (Calgamol)

Patentkali

Gier

Vruchtgewassen

(klein)fruit

Aardappelen

Magnesium (Mg) Bouwsteen van bladgroen; stimuleert de oplosbaarheid van fosfor in de bodem Chlorose aan de bladrand en tussen de bladnerven Maerl (kalk+mineralen)

Gesteentemeel (b.v.basaltmeel)

Puimsteen

Lavameel

Alle planten
Boor (B) Noodzakelijk voor het plantenweefsel en de uitlopers De eindknop sterft af, vormverandering bij jonge bladeren Chlorose en in later stadium afsterven van de plant
Mangaan (Mn) Nodig voor vorming van chlorofyl De bladeren worden tussen de bladnerven geel; komt zelden voor Leidt tot ijzergebrek
Ijzer (F) Nodig voor vorming van chlorofyl, het ademen en de energiestofwisseling Chlorose, meestal door overbekalking en overbemesting met mangaan en fosfor; alleen als groen netwerk zichtbaar
Koper (Cu) Bestanddeel der enzymen; voorkomt voortijdige afbraak van chlorofiel Verandering bij jonge bladeren, bladverkleuring.
Zink (Zn) Beïnvloed de stofwisseling en de vorming van groeistoffen
Molybdeen (Md) Noodzakelijk voor de omzetting van de stikstofverbindingen Komt voornamelijk voor bij bloemkool; er vormt zich geen bloem.

GROENBEMESTING
In het algemeen wordt er in de landbouw veel meer met groenbemesters
gewerkt dan in de tuinbouw. Toch is het ook in onze tuin nuttig om zo nu
en dan een gedeelte met een groenbemester in te zaaien.
Het doel van een groenbemester is het vastleggen van stikstof en andere
voedingselementen voor de plant in de bodem op natuurlijke wijze en het
bedekt houden van de bodem om te voorkomen dat voedingselementen uitspoelen.
Groenbemesten is het telen van een gewas dat niet wordt geoogst, maar in
gewerkt in de grond. We zaaien daartoe in juli, augustus en ook nog wel
begin september op plaatsen die vrijkomen in onze tuin. Deze gewassen bedekken onze bodem en zullen (de meeste) in de winter afsterven, maar blijven toch nog een bodembedekking vormen. In het voorjaar wordt de massa lichtjes in de grond gewerkt en daar door bacteriën en andere bodemorganismen verteerd. Voor het verteren is zuurstof nodig en het is daarom zaak de massa heel ondiep in te werken.

Welke gewassen gebruiken we?
De kruisbloemigen (rapen, radijsachtigen, chinesekool) groeien vrij vlug.
De gewassen verhogen het zwavelgehalte in de grond, maar vergroten wel de kans op knolvoetbesmetting wanneer niet een strenge vruchtwisseling wordt aangehouden.
Graangewassen (haver, rogge) kunnen stikstof goed in de bodem vasthouden deze zou anders wellicht uitgespoeld zijn.
Goede bodemontsmetting verkrijg je door een groenbemesting van afrikanen, goudsbloemen en O.I. kers toe te passen.
Tot slot de vlinderbloemigen (klaversoorten, lupinen). Deze planten leven
in symbiose met een bacterie die in staat is stikstof uit de lucht vast te
leggen en in de bodem op te slaan. De vlinderbloemigen hebben een wat langere groeiperiode.

Een reactie plaatsen

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.